Stel je voor: de allergrootste olievoorraad van het zonnestelsel ligt niet onder de Russische steppen of het glimmende zand van de Perzische Golf. Nee, hij bevindt zich op een afstand van 1,4 miljard kilometer van onze voordeur – op Titan, de mysterieuze maan van Saturnus. Tijd voor een ruimtereis langs zwarte randen, vloeibare zeeën en gigantische olievoorraden waar Aarde jaloers op mag zijn.
De ontdekking van Titan: een kwestie van scherp zien en veel geduld
In 1907 tuurde Josep Comas i Solá, een Catalaanse sterrenkundige met een bewonderenswaardig geduld (en waarschijnlijk een nek van staal na lang door zijn telescoop te kijken), naar Titan. Met een vergrootglas van 750 zag hij dat de randen van deze maan in het donker van de ruimte opgingen. “Het is redelijk om aan te nemen dat deze grote duisternis op de randen het bestaan van een erg absorberende atmosfeer rond Titan aantoont”, aldus Solá. Dat was meer dan honderd jaar geleden, en wat blijkt? De man had gelijk! Titan bezit niet alleen een dikke atmosfeer, maar blijkt in meerdere opzichten verrassend veel op onze blauwe planeet te lijken.
Titan: de exotische tweeling van de Aarde?
Waarom vinden wetenschappers Titan zo bijzonder, naast het feit dat je er lekker kunt dobberen (als je tenminste tegen een beetje methaan in het zwembad kunt)?
- Titan is, samen met onze planeet, de enige rotsachtige wereld in het zonnestelsel met uitgestrekte vloeistofvlaktes aan het oppervlak.
- De atmosfeer op Titan kent stormen, onweersbuien en anticyclonen – net als hier op Aarde, al wil je het onweer daar liever niet in levende lijve meemaken.
- Er is echter een klein ‘probleempje’: de zeeën op Titan bestaan uit vloeibaar methaan, terwijl de woestijnen van silicates en natuurlijk – hoe kan het ook anders – koolwaterstoffen zijn gemaakt.
In 2013 wist de sonde Cassini-Huygens de diepte van één van die vreemde ‘zeeën’ te meten. Wat bleek? Titan zit tjokvol koolwaterstoffen – veertig keer meer dan alle aardse olieputten samen.
Titan en mijnbouw in de ruimte: sciencefiction of economische revolutie?
Stel je eens voor dat we al die kostbare brandstof naar de aarde konden halen. Flink cashen, denk je dan misschien, maar helaas: zelfs als het economisch rendabel zou zijn, missen we op dit moment totaal de technologie om zoiets voor elkaar te krijgen. En tegen de tijd dat we dat misschien wel kunnen, zijn olie en methaan waarschijnlijk niet eens meer de hippe brandstoffen van de toekomst. Toch roept de ontdekking van Titan vragen op over ruimtemijnbouw in het algemeen. NASA zelf becijferde immers dat de waarde van alle mineralen in de asteroïdengordel goed zou zijn voor zo’n honderd miljard dollar per aardbewoner.
En het kan nog gekker. Astronoom Neil deGrasse Tyson verkondigde in een interview dat “de eerste biljonair degene zal zijn die de natuurlijke hulpbronnen van asteroïden weet te delven”. Voor wie de tel kwijt is geraakt: de aardse mijnbouw levert jaarlijks een slordige 660 miljard dollar op, maar metalen uit de ruimte kunnen theoretisch naar een quintiljoen stijgen. (Ja, dat zijn 18 nullen – je portemonnee kan het waarschijnlijk niet aan.) Volgens Tyson heeft de wereld sinds het ontdekken van Amerikaanse goud- en zilveraders vijf eeuwen geleden, nooit meer zo’n schok meegemaakt.
- Studenten uit Tel Aviv becijferden in 2014 dat de allereerste lading metaal uit een asteroïde de goudprijs op aarde in één klap met 50% zou kunnen doen kelderen.
- Datzelfde scenario geldt voor andere grondstoffen die uit de ruimte gewonnen zouden worden.
- Titan met zijn kolossale koolwaterstoffenvoorraad? Die fase halen we voorlopig niet eens!
Tot slot: prachtige kansen, grote risico’s
Wie zich écht verdiept in deze thema’s, beseft: ruimtevaart en mijnbouw buiten de aarde zijn opwindende, maar niet zonder gevaar. De belofte van rijkdom en overvloed klinkt mooi – maar de onzekerheid en de risico’s zijn niet te onderschatten. De grootste olievoorraad van het zonnestelsel, verstopt in de ijskoude wereld van Titan, herinnert ons aan de alles veranderende krachten die daarbuiten op ons wachten. Tot het zo ver is, kunnen we alleen maar dromen… liefst met beide voeten op de Aarde, want daar voelt een zwoele storm nog net iets veiliger dan op Saturnus’ bizarre maan.